Waarom meten weten is bij het voeren van ruwvoer
Ruwvoer vormt bij de meeste paarden ongeveer 70 tot 100 procent van het rantsoen. Daarmee is hooi, voordroogkuil of weidegras veruit de belangrijkste voedingsbron. Een kleine afwijking in suiker, eiwit of energie werkt dus dagelijks door. Bij een paard dat tien kilogram ruwvoer per dag krijgt, kan een verschil in samenstelling al snel een wezenlijk verschil in de totale opname betekenen. Een ruwvoeranalyse voor paarden maakt die samenstelling zichtbaar en geeft het voerbeleid een betrouwbare basis.
Een groene kleur, een frisse geur en een mooie structuur blijven belangrijke eerste controles. Ze zeggen iets over droging, opslag en mogelijke verontreiniging, maar niet hoeveel suiker, eiwit of beschikbare energie het ruwvoer werkelijk bevat. Ook de herkomst of het type ruwvoer voorspelt de gehalten niet voldoende. Met laboratoriumcijfers kan het rantsoen gericht worden aangepast. Dat voorkomt zowel tekorten als een verzameling supplementen die weinig toevoegt.

De basisgetallen op het analyserapport ontcijferd
Het eerste getal dat goed begrepen moet worden, is de droge stof, afgekort als DS. De droge stof is alles wat overblijft nadat het water uit het ruwvoer is verwijderd. Voedingsstoffen zoals eiwit, suiker, vezels en mineralen worden meestal op DS-basis weergegeven. Dat is logisch, omdat twee partijen met een verschillend vochtgehalte anders moeilijk eerlijk te vergelijken zijn.
Droog hooi bevat doorgaans ongeveer 85 tot 90 procent droge stof. Voordroogkuil is vochtiger en zit vaak rond 60 tot 75 procent DS. Een kilogram voordroogkuil bevat daardoor minder voedingsstoffen dan een kilogram droog hooi, zelfs wanneer de gehalten op DS-basis vergelijkbaar zijn. Een paard moet van vochtiger ruwvoer dus meer kilogram vers product eten om dezelfde hoeveelheid droge stof en voedingswaarde binnen te krijgen.
Reken altijd terug naar de aangeboden hoeveelheid. Bevat voordroogkuil bijvoorbeeld 65 procent DS, dan levert tien kilogram daarvan ongeveer 6,5 kilogram droge stof. Tien kilogram hooi met 88 procent DS levert ongeveer 8,8 kilogram droge stof. Dat verschil beïnvloedt niet alleen de energieopname, maar ook de hoeveelheid eiwit, suiker en vezels die het paard daadwerkelijk binnenkrijgt.
- Controleer eerst of een waarde op productbasis of op DS-basis staat.
- Noteer het DS-percentage voordat je gehalten met andere partijen vergelijkt.
- Bereken bij kuil altijd hoeveel kilogram droge stof het paard werkelijk krijgt.
- Beoordeel iedere nieuwe oogst of partij opnieuw, omdat de samenstelling kan veranderen.
Suikers en koolhydraten onder het vergrootglas
Suiker krijgt vooral aandacht bij sobere rassen, paarden met overgewicht en dieren met insulinedysregulatie, EMS, PPID of een voorgeschiedenis van hoefbevangenheid. Als praktische bovengrens wordt voor deze risicogroep vaak minder dan 10 procent suiker op droge-stofbasis aangehouden. Dat is geen universele medische regel voor ieder paard. De oorzaak van een probleem, de lichaamsconditie en de totale koolhydraatopname bepalen samen wat verantwoord is. Bij verdenking op hoefbevangenheid hoort altijd overleg met een dierenarts. De voeraanpassing bij hoefbevangenheid moet aansluiten op de onderliggende oorzaak.
Het suikergehalte van gras en hooi wordt beïnvloed door onder meer zonlicht, temperatuur, groeifase en bemesting. Bij zonnige dagen kan gras suikers opslaan. Koude nachten remmen de groei, terwijl de suikerproductie overdag kan doorgaan. Daardoor kunnen vooral zonnige dagen met koude nachten tot hogere gehalten leiden. Ook een vroege oogst of sterk bemest gras kan een andere voedingswaarde hebben dan grover, later gemaaid hooi. Het soort ruwvoer alleen geeft daarom onvoldoende zekerheid.
Wanneer de analyse een te hoog suikergehalte laat zien, zijn er verschillende maatregelen. Een andere partij met een lager gehalte is meestal de meest overzichtelijke oplossing. Hooi weken kan een deel van de oplosbare suikers verminderen, maar het effect verschilt per partij en weekduur. Bovendien gaan mineralen en andere oplosbare voedingsstoffen verloren. Het weekwater moet worden weggegooid en het geweekte hooi moet hygiënisch en tijdig worden gevoerd. Bij een kwetsbaar paard is alleen weken daarom geen reden om een ongeschikte partij zonder verdere beoordeling te blijven voeren.
- Kijk naar suiker op DS-basis en beoordeel de totale dagopname.
- Gebruik bij metabole problemen bij voorkeur een geanalyseerde partij met een passend gehalte.
- Zie weken als noodmaatregel of aanvullende techniek, niet als garantie.
- Houd lichaamsgewicht, halsvet, hoeven en gedrag wekelijks in de gaten.
Eiwitgehaltes beoordelen voor bespiering en onderhoud
Op een analyserapport staan vaak zowel Ruw Eiwit, afgekort RE, als een maat voor verteerbaar eiwit, zoals VEP of VREp. RE geeft de totale hoeveelheid stikstofhoudende verbindingen weer. Het zegt dus hoeveel ruw eiwit aanwezig is, maar niet automatisch hoeveel daarvan door het paard wordt opgenomen en benut. VEP of VREp probeert juist het voor het paard beschikbare deel beter te benaderen. Voor rantsoenberekeningen is verteerbaar eiwit daarom doorgaans informatiever dan alleen het RE-percentage.
Veel Nederlands ruwvoer heeft niet zozeer een eiwitoverschot, maar juist een tekort voor het paard dat ervan afhankelijk is. Dat geldt vooral voor laat gemaaid, stengelig hooi dat lang op het land heeft gestaan. Een recreatiepaard met weinig arbeid kan daar soms goed op functioneren, terwijl een jong paard, lacterende merrie of sportpaard meer nodig heeft voor spieropbouw, herstel en onderhoud. Een analyse van eiwit in ruwvoer helpt om niet op kleur of gevoel te voeren.
Een eiwittekort kan zich uiten in moeite met bespiering, een doffe vacht, traag herstel na arbeid of onvoldoende conditie ondanks voldoende kilogrammen ruwvoer. Zulke signalen hebben echter ook andere oorzaken, zoals gebitsproblemen, maag-darmstoornissen, ziekte of een tekort aan energie. Een overmaat aan eiwit is evenmin wenselijk. Die verhoogt de stikstofuitscheiding en kan de lever en nieren extra belasten, terwijl het geen vervanging is voor een goed trainingsschema of voldoende energie.
- Gebruik RE om het totale eiwitgehalte te bekijken.
- Gebruik VEP of VREp voor een realistischer beeld van de beschikbare eiwitvoorziening.
- Let op leeftijd, dracht, lactatie, arbeid en spierconditie.
- Laat aanhoudende conditieproblemen eerst veterinair onderzoeken.
Vezels en fermenteerbaarheid als motor van de darmflora
Vezels vormen de basis van een stabiele paardenvertering. Ruwe celstof is een oudere, globale maat. NDF omvat een groter deel van de celwand en zegt meer over de hoeveelheid structurele vezel. ADF is het meer moeilijk verteerbare deel binnen die celwand. Naarmate planten ouder worden, neemt de verhouting toe. Het paard moet dan langer kauwen, produceert meer speeksel en krijgt een ruwvoerproduct met doorgaans een lagere energiebeschikbaarheid.
Er bestaat geen enkele ideale vezelwaarde voor ieder paard. De cijfers moeten worden gelezen in combinatie met energie, suiker, eiwit, lichaamsconditie en arbeid. Onderstaand overzicht geeft daarom richting, geen diagnose of starre norm.
| Type paard | Gewenste voereigenschap | Praktische aandacht |
|---|---|---|
| Sober of snel dik wordend | Veel structuur, beperkte energie en passend lage suiker | Grote porties vezels, beweging en gewichtsbewaking |
| Gemiddeld recreatiepaard | Goed fermenteerbare vezels met gematigde energie | Ruwvoer vormt de basis, krachtvoer alleen gericht inzetten |
| Sportpaard | Voldoende verteerbare energie en eiwit naast structuur | Vezelrijke aanvulling combineren met arbeid en herstel |
| Oud of slecht gebit | Zachte, goed fermenteerbare vezels | Geweekte producten kunnen kauwen en opname ondersteunen |
Praktische vertaalslag naar het type paard en rantsoen
Een analyse heeft pas waarde wanneer de cijfers worden gekoppeld aan het individuele paard. Begin met het vastleggen van lichaamsgewicht of een bruikbare schatting, lichaamsconditie, dagelijkse ruwvoerhoeveelheid en trainingsbelasting. Kijk daarna welke waarde afwijkt van de behoefte. Een laag eiwitgehalte vraagt bijvoorbeeld iets anders dan een te hoge suikerwaarde. Het doel is niet om ieder getal maximaal te maken, maar om het rantsoen passend en stabiel te krijgen.
- Controleer de hygiëne en representativiteit van het monster. Neem meerdere plukken uit verschillende balen of plekken, omdat één handje niet altijd de hele partij vertegenwoordigt.
- Bereken de droge-stofopname en vergelijk suiker, energie en eiwit met de behoefte van het paard.
- Vul een eiwittekort gericht aan met bijvoorbeeld luzerne of, wanneer passend en deskundig berekend, sojaschroot. Let daarbij ook op aminozuurkwaliteit.
- Gebruik voor extra vezels een ongesuikerde bietenpulp. Die moet volgens de productinstructie worden geweekt en nooit droog worden gevoerd.
- Controleer na enkele weken lichaamsconditie, mest, eetlust, prestaties en spierontwikkeling. Pas alleen aan wanneer daar aanleiding voor is.
Commerciële zakken voer zijn niet automatisch nodig omdat een paard arbeid verricht. Kijk eerst naar het etiket en de volledige rantsoensamenstelling. Ingrediënten staan in aflopende volgorde van hoeveelheid, terwijl de verplichte analyse vooral ruw eiwit, ruw vet, ruwe celstof en ruwe as vermeldt. Suiker, zetmeel, energie en verteerbaar eiwit staan niet altijd duidelijk op het label. Meer uitleg over een paardenvoerlabel lezen voorkomt dat marketingteksten de berekening overnemen.
Voor een paard met goed ruwvoer, beperkte arbeid en een passende mineralenvoorziening kan een eenvoudige balancer voldoende zijn. Zo”n product levert geconcentreerd vitaminen en mineralen zonder onnodig veel energie. Pas wanneer de analyse en het paard daar aanleiding toe geven, komen aanvullende eiwitbronnen, extra energie of specifieke mineralen in beeld. Bietenpulp is bijvoorbeeld een vezelrijke optie, maar moet geweekt worden. Gewone bietenpulp heeft een lange weektijd nodig, terwijl snel weekbare varianten volgens de fabrikant korter kunnen worden bereid. Veilig voeren staat altijd voorop.
Zet laboratoriumcijfers om in rust op stal
Een ruwvoeranalyse is geen doel op zichzelf. Het is een nuchter hulpmiddel om dagelijks stalbeheer beter te onderbouwen. De cijfers maken zichtbaar of een partij werkelijk past bij het paard, of er sprake is van een eiwittekort, of suikerverlaging nodig is en hoeveel droge stof er feitelijk wordt gevoerd. Daarmee ontstaat ruimte om eenvoudiger te voeren, niet om het rantsoen ingewikkelder te maken.
Blijf het rapport altijd naast het paard leggen. Gewicht, spierconditie, mest, hoeven, gedrag en prestaties vertellen samen met de analyse het volledige verhaal. Begin bij schoon en geschikt ruwvoer, reken zorgvuldig met droge stof en vul alleen aan waar een aantoonbare behoefte bestaat. Zo verdwijnen overbodige potjes uit de voerhoek en ontstaat er meer rust, overzicht en zekerheid in de voerbak.

